Uitzien naar de zomer

“En Hij sprak tot hen een gelijkenis: Kijk naar de vijgenboom en naar alle bomen. Zodra ze uitlopen en u dat ziet, weet u uit uzelf dat de zomer al nabij is. Zo ook, wanneer u deze dingen zult zien geschieden, weet dan dat het Koninkrijk van God nabij is.” (Lukas 21:29-31)

Vorige week vroeg één van onze jongens het aan tafel: “Hebben jullie dat ook? Zo’n zin in de zomervakantie?” Uitzien naar de zomer, uitzien naar de zomervakantie, uitzien naar mooi weer en een stukje rust, onthaasting en ontspanning; uitzien naar gezamenlijk tijd doorbrengen en dingen onder nemen en genieten van Gods schepping. De zomermaanden zijn er bij uitstek dé periode voor. Daar is onze hele samenleving ook op ingericht: in de zomermaanden is er de bouwvak, is er de langste schoolvakantie van het jaar en trekken -in vergelijking met andere perioden van het jaar- de meeste mensen er op uit. Vaak iets waarnaar wordt uitgezien.

Over dat ‘uitzien naar de zomer’ heeft Jezus het in de bovenstaande gelijkenis. Ik ken eerlijk gezegd niet veel mensen die sterk verlangen naar de winter (zeker niet naar de kwakkelwinters van de afgelopen jaren). Wél hoor je gaandeweg de winter mensen zeggen: “Ik zie uit naar het voorjaar en de zomer!” Naar de tijd dat het langer licht is, dat het doorgaans aangenamer is qua temperaturen en zonuren. Waarin alles weer frisgroen wordt, uitloopt en tot bloei komt. Waarin de gewassen de akkers sieren en het vee de weiden weer begrazen. Je ziet het soms al in februari of maart, als daar opeens een vroege voorjaarsdag is: mensen komen naar buiten, pakken een terrasje of gaan wandelen om zo te genieten van de eerste ‘voorjaarszonnestralen’. Uitzien naar de zomer, ja, wie herkent het niet?

Dit beeld gebruikt Jezus als het gaat om definitieve komst van het Koninkrijk van God. Zoals we aan de voorjaarstekenen kunnen zien en merken dat de zomer in aankomst is, zó ook kunnen we aan de dingen die in de wereld (gaan) plaatsvinden zien en merken dat de dag van Jezus wederkomst en daarmee ook van de definitieve komst van Zijn Koninkrijk dichtbij komen.
Over de herkenningstekens heeft Jezus in het voorgaande gedeelte gesproken (20-28). Hier in Lukas zijn het alléén maar aangrijpende tekenen die vermeld worden; in Mattheüs staan er ook mooie, hoopvolle tekenen beschreven. Maar waar het Jezus hier in de gelijkenis van vers 29- 31 om te doen is, is dit:
      • Ten eerste: Jezus vergelijkt hier de komst van het Koninkrijk van God met ‘de zomer’!
      • Ten tweede: weest wakker en waakzaam – let in het hier en nu goed op de tekenen die Ik u noem. Want hoewel Jezus ergens anders zegt dat Hij voor velen zal komen als een dief in de nacht, wil Hij de Zijnen allerminst ‘overvallen’ met Zijn komst. Door hen wil Hij graag worden verwacht en daarbij willen ‘de dingen die wij zien geschieden’ Gods kinderen op aarde helpen!
Deze twee punten werk ik graag nog wat verder uit…

Een toekomst vol van hoop
Het eerste genoemde punt raakte mij toen ik deze woorden op mij in liet werken. Hoewel er nog altijd veel goeds is in het leven hier op aarde (het is gelukkig nog steeds niet allemaal en alléén maar kommer en kwel), ervaren we tegelijkertijd allemaal dat het ‘toneel’ op aarde verandert. Het wordt ijziger, killer, gaandeweg op tal van plaatsen onleefbaarder. Er gebeuren steeds frequenter en steeds intenser dramatische, hartverscheurende dingen. De hopeloosheid en radeloosheid en de liefdeloosheid nemen hand over hand toe. Het zijn stuk voor stuk tekenen waaruit op te maken valt dat we ons in de nadagen (de herfst of misschien al wel (begin) winter) bevinden van de huidige wereldgeschiedenis. Maar nog is het einde niet. Afgaande op Jezus voorgaande woorden, wacht er nog een strengere wintertijd waarin “het hart van de mensen zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen die de wereld zullen overkomen”. Er is vanzelfsprekend niemand op aarde te vinden, ook geen gelovige, die wat dat betreft uitkijkt naar deze door Jezus’ aangekondigde winter. Maar, zó zegt Jezus: zoals dat in het natuurlijke gaat, dat je in de winter hevig kunt verlangen naar de zomer, omdat je verlangt naar fris, nieuw leven, naar kleur en geur, naar warmte en licht… zó ook doet de laatste fase van deze wereldgeschiedenis Gods kinderen sterk verlangen naar de eeuwige zomer van het Koninkrijk van God. Want zij mogen gelovig weten: niet de winter heeft het laatste woord, maar de zomer! De hemelse zomer die op aarde gaat aanbreken als God alle dingen nieuw gemaakt zal hebben. Dat is toch enorm moedgevend? In de wereld om ons heen horen we hoe langer hoe meer alléén maar doemscenario’s. We stevenen met z’n allen af op een situatie die onleefbaar wordt. Met alle macht wordt er wat betreft het klimaat geprobeerd om het tij nog enigszins te keren; het neerwaartse proces af te remmen om zó de nazomer en herfst nog enigszins te rekken. Maar aan een gure, kille, dodelijke winter valt niet te ontkomen. Er is geen wetenschapper die weet hoe het dan verder moet. Dan blijft er niets anders over dan ‘dromen over een zomer’.

Jezus heeft het echter niet over een ‘droomzomer’, maar over een zomer die werkelijk komt. Een zomer waarin geen duisternis, geen nacht meer zijn zal. Een werkelijkheid van alléén maar rust en vrede, schoonheid en heerlijkheid, gerechtigheid en heiligheid, overvloed en blijdschap, gemeenschap en eensgezindheid. Werkelijk een toekomst vól van hoop. Zó wordt hier door Jezus het naderende Koninkrijk van God vergeleken met een ‘weergaloze, eindeloze zomer’. Kinderen van Gods Koninkrijk op aarde hebben dus echt iets om naar uit te zien: geen doemscenario, maar een zomerscenario die z’n weerga niet kent!

Wanneer u deze dingen zult zien
Ondertussen willen de tekenen die Jezus noemt ons wel scherp, wakker en waakzaam houden! Zoals in de natuur de zomer niet in één keer doorbreekt, maar vaak voorafgegaan wordt door ‘eindweeën van de winter’ (denk aan het fenomeen voorjaarsstormen en denk aan de grijze, natte periode zo rond het einde van het 1ste kwartaal en soms ook nog in de maanden van het 2e kwartaal), zo ook gaat het ook met de komst van het Koninkrijk van God. Maar de ‘eindweeën van de winter’ doen ons des temeer verlangen naar de komst van de zomer! Bij de ‘eindweeën van de winter’, terwijl de eerste groene puntjes aan de takken tevoorschijn komen, weten we uit onszelf: nog éven, dan is ’t zover. En je hoort het de mensen dan ook zeggen: “Nog even door de zure appel heen bijten”, of “na regen komt zonneschijn”.
Zó ook moet het, zegt Jezus, eerst door deze fase heen voordat voor Gods kinderen de eeuwige zomer op aarde aanbreekt. Eerst nog zullen er vreselijke dingen gebeuren waar we wel eens bang van kunnen worden. Eerst nog verliest de aarde bij wijze van spreken haar groene blad, de bloemen verwelken, het wordt bar en boos. En voor miljoenen mensen is het inmiddels al ronduit bar en boos geworden! Maar nog even, dan zal het Koninkrijk van God de winter wegvagen en alles voorgoed doen openbloeien.
En daarom, kind van God: put dwars door de tranen van deze tegenwoordige tijd en ook door de tranen van de toekomende tijd, toch vooral moed uit de dingen die we zien gebeuren! Want ze zeggen ons luid en duidelijk: “Zie, Hij komt!” En ze doen ons eens te meer roepen: “Kom Heere Jezus!” En als Hij komt, dán breekt de eeuwigdurende zomer aan!

In de nacht van strijd en zorgen
kijken wij naar U omhoog,
biddend om een nieuwe morgen,
om een toekomst vol van hoop.

U bent God, de Allerhoogste,
God van onbegrensde macht.
Wij geloven en wij hopen
op het einde van de nacht.
                                                                                  Ds. G. van den Berg