Vragenrubriek06.03.2025

In deze rubriek gaat ds. Van den Berg, in samenspraak met de kerkenraad, in op vragen die door gemeenteleden zijn gesteld naar aanleiding van prediking, de gemeenteavond van jl. november en/of het conceptbeleidsplan 2025-2028. De gestelde vragen worden anoniem behandeld; dus zonder vermelding van de naam van de vraagsteller/-stelster. Meer informatie hierover vindt u in het kerkblad van januari.

De vraag waarbij we deze keer stilstaan, luidt: “Graag ontvang ik uitleg over het volgende met betrekking tot de kinderdoop. De kinderdoop is een eenzijdige verbintenis tussen God en het kind, dus zonder voorwaarde. Conform de besnijdenis: ‘alles wat mannelijk is moet besneden worden’ (Gen. 17:10). Spoort dat met het doopbeleid in het beleidsplan?”
 
Reactie: In deze vraag wordt niet duidelijk gezegd op welke wijze het doopbeleid, zoals verwoord in het beleidsplan, mogelijk niet zou stroken met de bijbelse grondnotie dat de kinderdoop een eenzijdige verbintenis is tussen God en het kind. Maar ik vermoed dat het aangelegen punt in deze vraag gelegen ligt in de woorden ‘zonder voorwaarde’. Vooropgesteld is het van fundamenteel belang om te erkennen dat in het Sacrament van de kinderdoop Gods onvoorwaardelijke belofte van liefde, genade en trouw tot ons en onze kinderen wordt uitgebeeld (getekend) en bevestigd (verzegeld). Daar gaat niets van onze kant aan vooraf! Dat wil voor alle duidelijkheid niet zeggen dat de doop ons tegelijk ook wél wijst op de noodzaak van het geloof en bekering. De doop vraagt dat eenieder van ons persoonlijk gelooft dat de Heere Jezus onze zonden afwast, zoals het water onze vuilheid afwast. En het vraagt gehoorzaamheid aan God om te leven zoals Hij dat van ons vraagt in Zijn Woord. En juist voor dát geloof geeft de doop houvast om tot God te gaan, bij Hem terug te komen. Dus aan de doop kleeft wel de voorwaarde van geloof en bekering! Jezus zegt immers: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.”

Echter, om dit punt is het de vraagsteller (vermoed ik) niet te doen als hij schrijft ‘dus zonder voorwaarde’. Wellicht wordt er met deze woorden gedoeld op de zinssnede “De doopvragen worden aan de beide ouders (man en vrouw) gesteld in aanwezigheid van de te dopen kinderen.” Allereerst is het goed om hier te vermelden dat deze passage binnenkort nog ter bespreking op de agenda van de kerkenraad staat, alvorens het beleidsplan definitief wordt vastgesteld. Een van de reacties op de conceptversie raadde ons aan om in deze passage expliciet te verwijzen naar het beleidsdocument uit 2023 en ook de daarin gebruikte bewoording over te nemen in het beleidsplan. In het beleidsdocument van 2023 ‘Hoe om te gaan met verzoek tot doop als ouders ongehuwd zijn?’ staat te lezen dat we ons vanwege een sterk veranderende samenleving genoodzaakt zien om nader beleid te formuleren met betrekking tot de doop. Dit in overeenstemming met de opdracht die in het formulier tot bevestiging van ambtsdragers verwoord staat, namelijk dat het onder andere de taak van de ouderlingen is om samen met de dienaren van het Woord ‘zoveel mogelijk te voorkomen dat de Sacramenten ontheiligd worden’. Ook het doopformulier zelf benadrukt dat ‘wij de doop met dat doel en niet uit gewoonte of bijgeloof mogen gebruiken’. Hoe tegenstrijdig dit ook lijkt, moeten we constateren dat dit feitelijk ook ‘voorwaarden’ zijn. Hoe zit dat nu? Hier stuiten we op een spanningsveld en een aangelegen aspect.

Uitgangspunt voor ons doopbeleid is en blijft dat wij geloven dat ouders die behoren tot de gemeente Bijbels gezien ‘verplicht zijn’ om hun kinderen te laten dopen. En já, we schamen ons er niet voor dat het typisch ‘hervormd’ is om een zo breed mogelijke dooppraktijk toe te passen. Zo worden bijvoorbeeld ook kinderen van (ongehuwde!) tienermoeders gedoopt, waarbij dan de grootouders van het kind mede hun ja-woord geven. Dat neemt echter niet weg dat we maar niet rücksichtslos dopen wat maar gedoopt kan worden. Want het Sacrament van de doop is en blijft wel een ‘heilig Sacrament’, waarbij (adoptie-/groot)ouders voor Gods aangezicht op drie vagen hun ‘ja-woord’ geven. Wanneer echter in het openbaar de levenspraktijk van hun leven niet strookt met datgene waarop zij gevraagd worden hun ‘ja-woord’ te geven, kan de doop niet bediend worden. Dat zou namelijk betekenen dat zij bij het geven van hun ‘ja-woord’ in het openbaar liegen. Dat is een directe vorm van ‘ontheiliging van de Sacramenten’. Wanneer er dus openlijk levenspraktijken zijn die niet in overeenstemming zijn met Gods Woord, is de kerkenraad geroepen om hierover het gesprek aan te gaan met de betreffende doopouders. Natuurlijk met als doel en met het verlangen om hen te begeleiden op een weg van inkeer en bekering, zodat er alsnog gekomen kan worden tot bediening van het Sacrament van de heilige doop. Wanneer dit echter niet lukt, moet er niet gezegd worden dat ‘de kerkenraad een doop geweigerd heeft’, alsof de schuld daarvan bij de kerkenraad ligt. Daarmee wordt te gemakkelijk ‘de spanning’ daar gelegd waar deze niet thuishoort. Nee, de doop kan in dergelijke voorkomende gevallen niet bediend worden vanwege de weigering van de ouders om zich gehoorzaam te onderwerpen aan de HEERE en Zijn Woord; vanwege weigering om de weg van geloof en bekering te gaan.

Ik besluit deze beantwoording met woorden van prof. dr. H. van den Belt, overgenomen uit het boekje ‘Een eeuwig verbond’. Daarin schrijft hij: “Als je niet bekeerd bent en de Heere niet persoonlijk kent, moet je dan je kind niet laten dopen? Zó kan het niet. Maar kun je het laten? Dan moet je de vraag omdraaien. Je kind behoort gedoopt te wezen. Je mag het kind het teken en zegel van Gods verbond niet onthouden. Je eigen ongeloof moet je juist bij God brengen. Als je ook Zijn instelling in de doop versmaadt, zou je daarmee je eigen ongeloof nog verzwaren. Wat dan? Niet dopen mag niet, wel dopen kan niet. Er is maar één weg: terugkeren tot de Heere in geloof op Zijn Woord. Dat kan nog, ook vóór de bediening van de doop.”