Vragenrubriek03.04.2025

In deze rubriek gaat ds. Van den Berg, in samenspraak met de kerkenraad, in op vragen die door gemeenteleden zijn gesteld naar aanleiding van prediking, de gemeenteavond van jl. november en/of het conceptbeleidsplan 2025-2028. De gestelde vragen worden anoniem behandeld; dus zonder vermelding van de naam van de vraagsteller/-stelster. Meer informatie hierover vindt u in het Kerkblad van jl. januari.

De vraag waarbij we deze keer stilstaan luidt:  “Bij kerkenraadsverkiezingen in de Hervormde Gemeente te Onstwedde wordt bij het ontstaan van een vacature die in de kerkenraad, de stemgerechtigde (belijdende) leden opgeroepen om namen in te dienen van ‘mannelijke’ belijdende lidmaten voor de betreffende vacature. Maar waarom alléén mannelijke belijdende leden?”

Reactie: Deze vraag spitst zich toe op art. 6.3 van onze Plaatselijke Regeling (PR), wat betekent dat het beleid inzake de verkiezing van ambtsdragers binnen onze gemeente op dit punt afwijkt van de Kerkorde (Ord. 3.6). Binnen de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) wordt er over dit onderwerp verschillend gedacht, maar binnen de PKN is er de ruimte om over dingen verschillend te denken en om ook als het om dit onderwerp gaat per gemeente verschillend beleid te voeren. In de PR kan iedere gemeente beschrijven welke beleidsmatige positie er ook wat dit onderwerp betreft wordt ingenomen ten opzichte van de kerkorde.
In ons Beleidsplan wordt in hoofdstuk 2, paragraaf 5 hierover vervolgens het volgende gezegd: “In gehoorzaamheid aan de Schrift zijn alléén mannelijke lidmaten verkiesbaar tot de ambten. In vele andere verbanden mag onze gemeente dankbaar gediend worden door vrouwen die hun gaven daartoe besteden.” De woorden ‘in gehoorzaamheid aan de Schrift’ klinken robuust en overtuigend en roepen als vanzelf de vraag op of gemeenten die op dit punt een andere praktijk kennen daarmee ‘de Schrift ongehoorzaam’ zijn. Iemand anders opperde om deze reden om de formulering aan te passen, omdat hiermee impliciet een oordeel zou worden uitgesproken over gemeenten die hierin ander beleid voeren.
 
Feit is dat dit onderwerp pas sinds begin vorige eeuw speelt. In Neder¬land gingen de Doopsgezinde Broederschap en de Remonstrantse Broederschap hierin voorop. Beide kerken kunnen als vrijzinnig worden gekenmerkt. Kenmerkend voor ‘de vrijzinnigheid’ is dat de Bijbel niet als Gods Woord wordt erkend, maar als bron van religieuze inspiratie. In 1911 werd Anne Zernike de eerste vrouwelijke predikant van Nederland. In 1931 volgde de Evangelisch Lutherse Kerk. Men meende dat met de emancipatie van de vrouw in de samenleving de kerk niet kon achter¬blijven. In de Nederlandse Hervormde Kerk werden in 1957 de ambten voor de vrouw open¬gesteld. Ambts¬dragers uit de meer behouden (lees: rechtse) kant van de kerk (confessionelen en bonders) stemden toen reeds tegen. Deze tegenstem hing nauw samen met de erkenning dat de Bijbel Gods Woord is en dus normatief behoort te zijn. Toelating van de vrouw tot het ambt is niet in lijn met wat Gods Woord hierover zegt en, hoewel minder zwaarwegend maar tegelijk niet onbelangrijk, ook niet in lijn met de kerkelijke traditie vanaf haar ontstaan tot aan (!!!) de twintigste eeuw.

De onderliggende zaak die dus in het geding is, betreft het gezag van de heilige Schrift. Moeten we de Schrift lezen vanuit eigentijds levensgevoel óf moet het eigentijdse levensgevoel dat ook op ons vat heeft, hervormd worden naar het Schriftgetuigenis? Heeft de Heilige Geest Die tot ons spreekt door de Schrift het laatste woord of schrijft de Heilige Geest in het heden wegen waarbij Schriftgegevens die in de Schrift zelf als universeel en altijd geldend worden gepresenteerd, terzijde mogen worden geschoven? Als dit geldt voor de plaats van de vrouw in de gemeente, wordt de vraag wel heel dringend waarom die ook niet op andere terreinen geldt. En meerderen gaan ook verder. Inmiddels wordt het Bijbelse getuigenis over huwelijk en seksualiteit ook al door velen als cultuurgebonden gezien.
In 2013 verscheen er in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt een rapport met de titel Mannen en vrouwen in dienst van het evan¬gelie. In dit rapport wordt de toelating van de vrouw tot de ambten, mede onder in¬vloed van de huidige culturele context, bepleit. In datzelfde rapport wordt echter wel eerlijk toegegeven dat de zienswijze van de mogelijkheid om vrouwen als diaken, ouder¬ling of predikant te laten dienen, tegen een Bijbelse ambtsvisie ingaat. Ook wordt er terecht in opgemerkt dat ‘er in de kerk aandacht moet zijn voor wat in de cultuur al dan niet aanstootgevend is. Waar mogelijk en nuttig, kan er worden aangesloten bij de bestaande cultuur. Maar waar nodig moet er ook kritisch ingegaan worden op de cultuur.’ Juist op grond van deze stelling, moeten we als kerk maar niet zomaar met de hedendaagse cultuur meegaan. Al snel wordt dit standpunt onterecht weggezet als ‘discriminerend’, ‘niet-tolerant’ of ‘niet respectvol’. Dat is echter onjuiste retoriek, want niet ‘wij’ zijn bepalend, maar voor ons is Gods Woord normatief en dus richtinggevend. En Gods Woord verwoordt de positie van de vrouw vanuit de onder¬scheiden plaats van man en vrouw in de schepping. Ook in Zijn Koninkrijk op aarde in deze bedeling.
In aanloop naar de hervormde synode die in 1958 beslissen moest over de toelating van de vrouw tot de ambten stond in het Gereformeerde Weekblad het volgende te lezen: ‘Er is niet één synodelid die uit Gods Woord bewijzen kan dat er een vrouw tot ambtsdrager in de gemeente werd gekozen of aangesteld. Woord en Geest spreken elkander niet tegen. Er is maar één geval in het Woord, waar duidelijk staat dat er een vrouw leerde. Maar wat zegt dan de Heilige Geest: ‘Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat u de vrouw Izebel, die van zichzelf zegt dat zij een profetes is, ongemoeid haar gang laat gaan om te onderwijzen en Mijn dienstknechten te misleiden…’ (Openb. 2:20). En ook, wat moet je aan met de Schriftwoorden: ‘als iemand verlangen heeft naar het ambt van opziener, begeert hij een voortreffelijk werk. Een opziener nu moet onberispelijk zijn, de man van één vrouw…’ (1 Tim. 3:1-2)?’

Voor ons als Hervormde Gemeente te Onstwedde blijft beslissend wat ook over dit onderwerp de Bijbel zegt. Nergens blijkt dat Jezus' keuze van uitsluitend mannelijke apostelen door tijdsfactoren is bepaald. Evenmin als Jezus Zich liet leiden door de gangbare opvattingen over de sabbat, liet hij Zich leiden door die over de vrouw. In Joh. 4:27 lezen wij dat Zijn discipelen zich verwonderden dat Hij met een vrouw sprak. Vrouwen volgden Hem en dienden Hem met hun goederen. Vrouwen stonden rondom Zijn kruis en waren de eerste getuigen van Zijn opstanding. Tóch maakte Hij geen vrouw tot apostel. Ook bij de apostelen blijkt uit niets dat hun standpunt door tijdsfactoren is bepaald. Paulus bijvoorbeeld noemt Priscilla (Rom. 16:3) onder zijn medewerkers, zegt van Euodia en Syntyché dat zij met hem gestreden hebben in het Evangelie (Fil. 4:2 en 3) en noemt hij Fébe (Rom. 16:1) een dienares van de gemeente. Toch lezen we nergens dat er vrouwen tot ouderlingen of diakenen werden verkozen. De reden hiervan moet dus niet in tijdsfactoren, maar in de wil van God gezocht worden.

Tot slot haasten wij ons hieraan toe te voegen dat met deze zaak het christenzijn als zodanig niet staat of valt. Al vinden wij het algemene standpunt dat binnen de PKN gangbaar is niet bijbels, betekent dat voor ons niet dat wij elkaar daarom zouden willen veroordelen. Dat geldt vanzelfsprekend niet alléén met betrekking tot dit onderwerp. Hiermee is ook ons staan binnen de PKN gegeven, alsook onze houding om daar waar mogelijk en gevraagd, positief-kritisch en constructief-dienend bij te dragen aan de kerk waartoe we behoren. In diezelfde lijn ook gaat onze predikant zonder enige aarzeling geregeld voor in gemeenten waar o.a. op dit punt ander beleid gevoerd wordt.
Tenslotte beseffen wij als noordelijke gemeente ook maar al te goed dat er gemeenten in onze regio zijn waar een groot tekort aan mannelijke belijdende leden is en men dien ten gevolge genoodzaakt is hierop te anticiperen. Wie de heilige Schrift kent, weet dat er in dergelijke situatie een andere regel geldt: nood breekt wet! (Richt. 4-5, zie bijv. ook 1 Sam. 21:6 en Mark. 2:25-26)